Kunstschilder.

Ik ben jaloers op kunstenaars, met name de kunstschilders. Zij werken als eenzame wolven in de stilte van het schildersatelier.

Het noorderlicht valt binnen en strijkt zacht langs de witte muren. Het ruikt er heerlijk naar olieverf en terpentijn. De doeken staan her en der verspreid, in bokalen staan penselen en borstels. Overal liggen tubes. Er is een witte houten tuinstoel, in een hoek staat een versleten sofa. Uit een oude platenspeler klinkt Mahlers negende of de Ramones.

De aanwezigheid van een model zou ik als onverdraaglijk ervaren.

Heel af en toe komt er een goede vriend langs. Dan drinken we wijn of een glas artisanaal gebrouwen bier en kijken we naar de werken aan de muur zonder er echt iets over te zeggen.

Soms wordt mijn werk getoond. Tokyo, Berlijn, Zürich, New York.

Een kleine galerij ontfermt zich over mijn oeuvre en stort af en toe een bedrag op mijn bankrekening, niet veel, maar genoeg om me geen zorgen te maken.

Mijn kunst zou iets vertellen over de wereld, maar tegelijk ook niets. Zij zou als hedendaags ervaren worden met een diepe worteling in een ver verleden.

(Wim Opbrouck)